Browsing Category

Privacyrecht

    Blog K7 Onderwijs Privacyrecht Werkveld

    Artikel 8 EVRM, de AVG en het cameragebruik in Teams

    Mag de Juridische Hogeschool Avans&Fontys (JHS) van haar studenten verlangen dat zij tijdens het online-lesgeven middels het programma Teams de camera aan hebben? Of is dat in strijd met artikel 8 EVRM of de AVG? De opdracht om op deze vragen een antwoord te vinden werd door de JHS verstrekt aan de studenten Nesrin Benhari, Noek Maas, Thom van den Boomen en Ella te Loo. Nesrin, Noek en Thom waren tijdens hun afstuderen aan de JHS betrokken bij SIC (Sociaal Innovatie Centrum) Arbeid. SIC Arbeid is een samenwerkingsverband van Fontys HRM en Toegepaste Psychologie en de JHS. In het kader van het afstuderen bij SIC Arbeid hebben zij deze opdracht succesvol uitgevoerd. Ella heeft vanuit haar Toegepaste Psychologie achtergrond naar de kwestie gekeken.

    Inleiding
    In verband met de COVID-19-pandemie werd op de JHS vanaf februari 2020 al het onderwijs online aangeboden. Daarbij werd en wordt op dit moment nog steeds gebruik gemaakt van het programma Teams. Teams biedt de deelnemers de mogelijkheid om bij de Teams-bijeenkomst de camera van de pc, laptop, tablet of telefoon aan of uit te zetten. Voor een docent is het fijner bij het lesgeven dat de studenten de camera aanzetten. De docent heeft dan nog enigszins het gevoel met studenten in een les te zitten dan dat hij enkel tegen een computerscherm praat. Kan de docent bij dat lesgeven van zijn studenten verlangen dat zij de camera aanzetten, met de mogelijkheid de achtergrond te “blurren”? Of kan hij of zij proberen op een of andere manier de studenten te motiveren om toch de camera, ondanks de artikel 8 EVRM of de AVG, aan te zetten? Op die laatste vraag heeft studente Ella te Loo van Fontys HRM en Toegepaste Psychologie een antwoord gegeven. Daarnaast zijn er interviews met docenten en studenten gehouden hoe zij tegen een mogelijke verplichting van de camera aankijken.

    AVG
    Omdat tijdens het lesgeven de docent online persoonsgegevens waarneemt, is de AVG van toepassing. Deze vraagt om een doel. Het doel zal in dit geval het geven van kwalitatief goed onderwijs zijn. Verder vraagt de AVG om een gerechtvaardigde grondslag om dat doel met het verwerken van de persoonsgegevens te bereiken. Artikel 6 AVG geeft de grondslagen. Toestemming is zo’n grondslag, maar deze is vanwege de ongelijke “machts”-verhouding tussen docent en leerling niet mogelijk. De student geeft niet in vrije wil toestemming. Omdat de JHS een publiekrechtelijke onderwijsinstelling is, is ook het gerechtvaardigd belang geen goede grond. Deze grond is namelijk niet voor overheidsinstellingen bedoeld (1). In de literatuur wordt in deze situatie slechts de grond noodzakelijk voor het vervullen van een taak van algemeen belang beschreven. De studenten hebben derhalve gekozen voor deze grond als gerechtvaardigde grondslag. Mogelijk en verdedigbaar zou ook zijn geweest om te kiezen voor de noodzakelijkheid in het kader van de uitvoer van een overeenkomst, te weten de onderwijs-overeenkomst tussen onderwijsinstelling en student.(2)

    Noodzakelijkheidstoetsing
    De grondslag algemeen belang kent een noodzakelijkheidstoetsing. (3) De JHS dient zich af te vragen of met het invoeren van het cameragebruik het doel bereikt wordt. Daarbij dient er een belangenafweging tussen het belang van de onderwijsinstelling en dat van de student plaats te vinden, waarbij het belang van de onderwijsinstelling groter moet zijn. Daarbij mag het middel niet disproportioneel en niet vervangbaar door een minder ingrijpend middel (subsidiariteit) zijn.
    Bij die noodzakelijkheidstoetsing kwamen de studenten tot de conclusie dat bij het overdragen van kennis het verplicht stellen van de camera niet voldoet aan die toetsing. De camera is een te grote inbreuk op de privacy van de student. Niet alleen is de student zich constant bewust dat er een camera op hem gericht is, ook ondanks het “blurren” is toch iets van zijn privé-omgeving te zien of te bemerken. De overdracht van kennis kan ook zonder de camera aan. Het wordt pas anders als er vaardigheden worden geleerd of getoetst waarbij het herkennen van gezichtsuitdrukkingen noodzakelijk is. Denk daarbij aan het oefenen of trainen van een intakegesprek door de student. Het is noodzakelijk dat de student de non-verbale gezichtscommunicatie van zijn medestudent kan zien. Ook de docent moet op grond van die non-verbale communicatie kunnen zien of de student voldoet aan de vooraf gestelde doelstellingen.

    Artikel 8 EVRM en de noodzakelijkheidstoetsing
    Het maken van filmbeelden via Teams is een inbreuk op iemands privacy. De camera houdt de betreffende persoon constant in beeld. Het is een bekend fenomeen dat je je gedrag aanpast onder de druk te weten dat constant een camera op je gericht is. Zo’n inbreuk kan echter gerechtvaardigd zijn, namelijk als voldaan is aan lid 2 van artikel 8 EVRM: de inbreuk dient een in lid 2 omschreven doel, de inbreuk is bij wet voorzien en noodzakelijk. Het doel is het algemeen belang van kwalitatief goed onderwijs, artikel 1.3 lid Wet op het Hoger Onderwijs en Wettenschappelijk Onderzoek biedt een wettelijke basis. Resteert dezelfde noodzakelijkheidstoetsing als bij de rechtmatige grondslag van noodzakelijk vanwege een algemeen belang. Kortheidshalve zij daarnaar verwezen.

    Kortom
    De JHS kan slechts bij vaardigheidstrainingen, waarbij vooraf bepaald is dat het doel van het onderwijs het bij de vaardigheden kunnen inschatten van non-verbale communicatie is, de camera verplichten. In alle andere situaties zal de noodzakelijkheidstoetsing zodanig uitvallen dat het aanzetten van de camera een te grote inbreuk is op de privacy van de student.

    Toegepaste psychologie
    Aansluitend heeft studente Ella uitgezocht op welke wijze de docenten de studenten zouden kunnen stimuleren alsnog de camera aan te zetten. Zij heeft daarbij gebruik gemaakt van de zelfdeterminatietheorie van Deci en Ryan. (3) Het gaat om competentie, autonomie en verbondenheid. Competentie wil hier zeggen dat de student het gevoel moet hebben, dat hij de stof aan kan en dat de student op een fijne manier uitgedaagd wordt. Autonomie verwijst naar de mogelijkheid als student zelf keuzes te kunnen maken in zijn leerproces. De verbondenheid duidt op de behoefte om contact te hebben met medestudenten en docenten. Als aan die drie behoeften gewerkt kan worden, zal dat de intrinsieke motivatie van de student om mee te werken aan het aanzetten van de camera vergroten.

    Voetnoten:
    (1). Weliswaar is de Juridische Hogeschool Avans&Fontys een aparte onderwijsinstelling of identiteit, te weten een aparte stichting, desalniettemin staat de JHS niet in de WHO als aparte instelling genoemd. Wel staan Avans en Fontys Hogescholen genoemd. De studenten zijn ervan uit gegaan dat de JHS gerekend zouden moeten worden tot die Avans en Fontys Hogescholen.
    (2). De studenten kwamen tot de conclusie dat voorafgaand aan het invoeren van Teams om online-onderwijs te verrichten de JHS een DPIA (Data Protection Impact Assessment oftewel een gegevensbeschermingseffectbeoordeling had moeten uitvoeren. Binnen de Fontys-instelling is geprobeerd die DPIA in te kunnen zien. Dat is gedurende het onderzoek helaas niet gelukt.

    (3). De grondslag “het uitvoeren van de overeenkomst” kent overigens eenzelfde noodzakelijkheidstoetsing. De toetsing zou dus niet anders zijn dan bij de grondslag algemeen belang.

    (4). E. DECI – R. RYAN, Overview of Self-Determination Theory: An Organismic Dialectical Perspective, in Handbook of Self-Determination Research”, pp. 3-34, Rochester, 2002.